O&O-fondsen in gevarenzone

Vele sectoren en bedrijfstakken kennen opleiding- en scholingsfondsen, de O&O-fondsen genoemd. Soms ook bezig met de arbeidsmarkt en instroombevordering, maar wel met de nadruk op scholing.

In deze fondsen gaat veel geld om, vaak tientallen miljoenen per jaar. De inkomsten komen tot stand via een Cao-afspraak, waarin is afgesproken dat de bedrijven een bepaald percentage van de loonsom afdragen aan dit fonds. Bedrijven die daadwerkelijk scholing uitvoeren of stagiaires begeleiden of leerwerkplekken beschikbaar stellen kunnen dan een bijdrage in de kosten aanvragen bij het fonds. Duidelijk zo?

Van wie is het geld?

De werkgevers en vakbonden in de sector zeggen simpelweg: dat geld is van ons! Immers, wij maken de Cao-afspraak en wij regelen de inzet van deze gelden voor de scholingsactiviteiten en zo meer.

En daar gaat het fout.

Het geld is NIET van de sociale partners. Huh…? Hoe kan dat?

Heel simpel: elke Cao moet door de overheid, lees ministerie van sociale zaken, algemeen verbindend worden verklaard, ge-AVV’t worden. Pas dan is er een wettelijke verplichting voor alle bedrijven in die sector om de cao uit te voeren, ook t.a.v. de scholingsafdracht. Geen AVV, geen geld! Soort van belastinggeld dus.

Anders gezegd: als de overheid dit op een andere wijze wil regelen en inzetten, dan kan dat!

En de overheid wil dat! Daarover zo meer!

Wat doen die O&O-fondsen met hun geld?

De meeste O&O-fondsen zetten al hun middelen in voor het stimuleren van instroom (promotie) en voor het uitvoeren van opleidingen en (bij)scholing. Elk fonds heeft daarvoor een eigen reglement dat het best past bij hun sector. Sommige sectoren, met name waar veel buitenactiviteiten zijn zoals de bouw, schilders, zonwering etc., concentreren de scholing in de winterperiode. Bij anderen ligt de nadruk vooral op de bijscholing van bestaand personeel, met name in de sectoren die met Smart Industrie te maken hebben. En er zijn ook fondsen die niet veel activiteiten verrichten en soms ook erg ruime reserves hebben.

Let wel: reserves zijn nodig, immers als er een keertje niet op tijd een nieuwe Cao-afspraak is gemaakt, gaan de verplichtingen van de fondsen gewoon door. Reserves voor 1 a 2 jaar zijn zeker nodig.

Wat wil de overheid?

Kort en goed: de overheid wil een individuele leerrekening!

Bij een meerderheid van de politieke partijen, en op dit moment bij ALLE regeringspartijen, staat in hun programma dat het goed zou zijn als er een individuele leerrekening zou komen voor alle werknemers:

  • CDA: ons voorstel voor individuele scholingsbudgetten vergroot de kans op werk voor oudere werknemers.
  • D66: wij willen dat werknemers zelf en met hun werkgever nadenken over hun positie op de arbeidsmarkt en hun inzetbaarheid – binnen het bedrijf en daarbuiten. Daarvoor maken we middelen vrij. De ombuiging van sectorgebonden opleidingsfondsen naar een individueel scholingsbudget,
  • VVD: Daarnaast willen we dat de sociale partners de sectorale ontwikkelfondsen omzetten naar een nationaal scholingsfonds.
  • CU: De ChristenUnie zet zich in voor een scholingsbeurs voor werkenden die een beroepsopleiding hebben gevolgd.

De eerste voorstellen hiertoe zijn reeds in ontwikkeling.

De gelden van de O&O-fondsen worden hier nadrukkelijk bij betrokken, waarbij sommige politici al hebben laten weten dat ‘de potten met goud van deze fondsen’ nu eindelijk een goed en vooral breed moeten worden ingezet.

Reactie van de fondsen; ‘wij van WC-eend…’

In reactie op deze signalen roepen sommige O&O-fondsen luid en krampachtig: “Wij doen heel goed werk! En niet alleen voor de eigen sector!”. Dé facto klopt dat ook wel, alleen weet niemand wat deze fondsen doen, zeker de politici weten dat niet en willen het ook niet weten. Tegelijkertijd is het een signaal van een afzender met een belang die roept ”Wij van WC-eend bevelen aan: WC-eend!”. Dat wordt niet serieus genomen.

In een ultieme poging duidelijk te maken hoe goed de O&O-fondsen bezig zijn organiseert een aantal fondsen ‘op vrijdag 6 april 2018 een conferentie voor politici en beleidsmakers, waarin ze laten zien wat ze doen en wat hun meerwaarde is. Doel is om te kijken waar samenwerking mogelijk is, waar belemmeringen zitten en om te komen tot concrete afspraken.’

Dit is opnieuw ‘to little – to late’!! Er is veel meer nodig dan een conferentie over het ‘bestaansrecht’ of ‘nut’ van de O&O-fondsen.

De O&O-fondsen en O&O-organisaties worden bestuurd door sociale partners, werkgevers en werknemersorganisaties. Wat vinden zij van deze ontwikkelingen?

 

De vakbonden:

Het CNV: “Het CNV pleit daarbij voor een individueel ontwikkelingsbudget voor iedere werkende, zodat je zonder al te veel rompslomp en bureaucratie zelf de verantwoordelijkheid voor je loopbaan kunt nemen”.

De grootste vakbond, de FNV heeft een genuanceerder standpunt: “Een nationale scholingsregeling, waarmee met behulp van cofinanciering vanuit de overheid collectieve sectorale- en regionale initiatieven worden versterkt. Extra ruimte en middelen voor het publiek bekostigd onderwijs voor het ontwikkelen van nieuwe vormen van post initieel leren en een onderwijsaanbod voor kwetsbare werknemers. Faciliteer vouchers, leerrekeningen en trekkingsrecht op een eigen budget – Recht op het leren van basisvaardigheden. Versterking van de rol van O&O-fondsen”.

Vakbond De Unie: geen standpunt over kunnen vinden.

Duidelijk is: de vakbonden hebben de O&O-fondsen al vaarwelgezegd!

 

En de werkgevers?

Gaat toch om ‘hun geld’ zoals ze zelf altijd zeggen? Opgeteld toch al gauw enkele honderden miljoenen euro’s per jaar ….

Een reactie van de werkgeversorganisaties is niet of nauwelijks merkbaar. Zo komt de Koninklijke Metaalunie niet verder dan een blog: ‘O&O fondsen nuttig’. Met de aankondiging dat ‘de O&O-fondsen in april een conferentie organiseren over het nut van dit soort sectorale fondsen’.

De voorzitter van een van de grootste fondsen geeft in een artikel aan dat: ‘Feiten tellen, een discussie is prima, zolang die maar op de feiten is gebaseerd. De meeste O&O-organisaties keren hun scholingsbudget elk jaar weer in zijn geheel uit en slagen daarmee in een belangrijk onderdeel van hun opdracht: de scholingsdrempel voor werknemers verlagen door een financiële bijdrage.’

Klopt helemaal, maar het zijn juist NIET de FEITEN die tellen, maar de BEELDVORMING.

Andere reacties? Kan ik heel kort in zijn: FME: niks, Bovag: niks, Uneto VNI: niks en zo kan ik nog wel even door gaan.

De conclusie kan dan ook niet anders zijn dan dat het óf niet doordringt tot de werkgevers dat hun scholingsfondsen op punt van opheffen staan, of dat het ze niks interesseert.

 

Is er een kans dat de O&O-organisaties blijven bestaan?

Als je bovenstaande analyseschets goed tot je laat doordringen is eerlijk gezegd die kans nagenoeg nihil!

In organisatieontwikkelingstermen gezegd: de O&O-organisaties bevinden zich in de fase van ‘neergang’: “kan alleen als de organisatie de signalen om het roer om te gooien niet tijdig heeft gekregen, of genegeerd. Als gevolg daarvan zal uiteindelijk de organisatie moeten sluiten, met alle personele gevolgen van dien.”

 

Is er een oplossing?

Een soort van ‘doorstart’ denkbaar?

Jazeker! Daartoe zijn best reële mogelijkheden aanwezig.

Hoedan?

Tsja, de analyse hierboven was gratis …….

 

Interesse?

Bel of mail me!

 

 

 


Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s